Een grote Canadese studie toont aan dat aspirine op een efficiënte en goedkope manier trombo-embolische complicaties bij heup- en knieprothesen helpt te voorkomen.
[1. Student Geneeskunde, KU Leuven; 2. Afdeling Radiologie, AZ Sint-Maarten, Duffel-Mechelen; 3. Afdeling Radiologie, UZ Antwerpen, UA; 4. Afdeling Radiologie, UZ Gent, UGent] Deze casus beschrijft het klinisch beeld en beeldvorming van een 13-jarig sportief meisje met een freiberginfractie. De ziekte van Freiberg is een osteochondrose van de metatarsaalkop, die vooral sportieve adolescente vrouwen aantast. Meestal is er geleidelijk opgekomen pijn ter hoogte van de aangetaste metatarsaalkop. MRI toont reeds in de vroegste stadia afwijkingen, terwijl klassieke radiografische opnames pas later de afwijking in het licht stelt. Published ahead of print.
[Sébastien Lobet en Cédric Hermans - Centrum voor behandeling van hemofilie, eenheid hematologie en hemostase, Clin Univ Saint-Luc, UCL, Brussel] Bij een ernstige hemofilie treden typisch gewrichtsbloedingen op. Hemartrose wordt klassiek niet waargenomen bij patiënten met stoornissen van de primaire hemostase, zoals aandoeningen van de bloedplaatjes en von Willebrandfactordeficiëntie. Alleen patiënten met een volledige von Willebrandfactordeficiëntie lopen een risico op hemartrose en die wordt in de hand gewerkt door het tekort aan factor VIII als gevolg van afwezigheid van von Willebrandfactor.
[Sébastien Lobet en Cédric Hermans - Centrum voor behandeling van hemofilie, eenheid hematologie en hemostase, Clin Univ Saint-Luc, UCL, Brussel] In tegenstelling tot stoornissen van de primaire hemostase (trombopathie, trombopenie, von Willebrandfactordeficiëntie), die gekenmerkt worden door bloedingen van de huid en de slijmvliezen, ontwikkelen patiënten met hemofilie diepe bloedingen, vooral in de spieren en de grote gewrichten. Negentig procent van de bloedingen bij patiënten met een ernstige hemofilie betreft de spieren en het skelet en 80 procent de gewrichten (4). Doorgaans gaat het om een spontane gewrichtsbloeding, die optreedt zonder dat er een duidelijke oorzaak kan worden achterhaald, en gewoonlijk wordt telkens maar één gewricht aangetast. Patiënten met ernstige hemofilie ontwikkelen de eerste gewrichtsbloedingen als ze het bewegingsapparaat zwaarder gaan belasten, dat wil zeggen als ze leren lopen. Patiënten met ernstige hemofilie die niet worden behandeld, kunnen tot 30 gewrichtsbloedingen per jaar vertonen.
[Sébastien Lobet en Cédric Hermans - Centrum voor behandeling van hemofilie, eenheid hematologie en hemostase, Clin Univ Saint-Luc, UCL, Brussel] Bij een patiënt met hemofilie moeten altijd de spieren en de gewrichten worden onderzocht en dat kan dan als basis dienen voor de verdere ambulante follow-up (2). Het wordt aanbevolen de gewrichten van patiënten met hemofilie om de zes maanden te evalueren bij kinderen en minstens om het jaar bij volwassenen.
[Sébastien Lobet en Cédric Hermans - Centrum voor behandeling van hemofilie, eenheid hematologie en hemostase, Clin Univ Saint-Luc, UCL, Brussel] Chirurgie bij hemofiliepatiënten vereist voorzorgsmaatregelen die absoluut moeten worden gerespecteerd. Bij chirurgische behandeling moet een substitutiebehandeling worden toegediend. De ingreep moet worden uitgevoerd door een ervaren chirurg, in een centrum dat beschikt over specifieke vaardigheden voor de behandeling van hemofiliepatiënten om de substitutiebehandeling dagelijks op te volgen en indien nodig aan te passen. Deze multidisciplinariteit is absoluut noodzakelijk om het succes van de chirurgische ingreep te garanderen.
[Sébastien Lobet en Cédric Hermans - Centrum voor behandeling van hemofilie, eenheid hematologie en hemostase, Clin Univ Saint-Luc, UCL, Brussel] Chirurgische ingrepen moeten worden voorbehouden voor patiënten met ernstige gewrichtsaantasting, bij wie conservatieve maatregelen geen effect hebben. Bovendien moeten de voordelen van chirurgie opwegen tegen de complicaties die ze kunnen veroorzaken (infecties, neuropathie en hemorragieën).
[Sébastien Lobet en Cédric Hermans - Centrum voor behandeling van hemofilie, eenheid hematologie en hemostase, Clin Univ Saint-Luc, UCL, Brussel] Hematomen zijn een andere belangrijke complicatie van hemofilie (6). Die hematomen treden niet spontaan op, maar doorgaans na een trauma, soms zelfs na een miniem trauma.
[Sébastien Lobet en Cédric Hermans - Centrum voor behandeling van hemofilie, eenheid hematologie en hemostase, Clin Univ Saint-Luc, UCL, Brussel] Het is wenselijk om elke patiënt met ernstige hemofilie te laten opvolgen door een hemofiliespecialist, a rato van één tot twee consultaties per jaar. Voor patiënten met een matige of geringe deficiëntie zijn jaarlijkse controlebezoeken eveneens onontbeerlijk.
[Sébastien Lobet en Cédric Hermans - Centrum voor behandeling van hemofilie, eenheid hematologie en hemostase, Clin Univ Saint-Luc, UCL, Brussel] In de acute fase bestaat de eerste therapeutische interventie uit het injecteren van stollingsfactor, en dit binnen twee uur na het begin van de hemorragische episode. De doorgaans aanbevolen dosis stollingsfactor bedraagt 25 tot 40IE/kg FVIII en 50IE/kg in het geval van ernstige hemartrose (2). Meestal zijn meerdere injecties noodzakelijk. De 2-3 eerste dagen wordt het gewricht in functionele positie geïmmobiliseerd. Compressie met een rekverband om de zwelling te verminderen en herhaaldelijke lokale applicatie van koude zijn doeltreffende maatregelen. Koude veroorzaakt vasoconstrictie en beperkt zo de uitbreiding van de bloeding; het vermindert ook de pijn. Het is aanbevolen om de ijszak 5 tot 10 minuten op het gewricht aan te brengen, 3-4 maal per dag. Direct contact met de huid moet worden vermeden.
[Christophe Demoulin 1-3, Marc Marty 3,4, Stéphane Genevay 3,5, Marc Vanderthommen 1,2, Genevève Mahieu 2,3,6, Yves Henrotin 1,2,3,7 - 1. Department of Sport and Rehabilitation Sciences, University of Liège, Belgium. 2. Belgian Back Society (BBS). 3. Section Rachis de la Société Française de Rhumatologie (SFR). 4. Division of Rheumatology, Henri-Mondor Hospital, University of Paris 12, France. 5. Division of Rheumatology, University Hospital of Geneva, Switzerland. 6. Back Unit, Dinant Hospital Centre, Belgium. 7. Bone and Cartilage Research Unit, University of Liège, Belgium] De eerste rugschoolprogramma’s voor patiënten met lagerugpijn dateren van eind jaren 60. Volgens de Europese aanbevelingen, kunnen ze op korte termijn een heilzaam effect hebben bij de behandeling van de patiënten (1). Over de vraag of ze ook lagerugpijn en al haar kwalijke gevolgen kunnen voorkomen, bestaat meer controverse (2). Daarom werd de efficiëntie van rugschoolprogramma’s (die vooral zijn gebaseerd op het biomedische/biomechanische model) voor de preventie van lagerugpijn onderworpen aan een literatuuronderzoek. Negen gerandomiseerde en gecontroleerde studies werden geïdentificeerd: allemaal hadden ze betrekking op een preventieve interventie op de werkplaats, met grote verschillen qua inhoud en duur. Het gemiddelde niveau van de kwaliteit van de methodologie was laag (5,1/12) en de meeste studies werden slechts uitgevoerd bij een beperkte steekproef. Hoewel in acht van de negen studies geen enkel significant verschil werd gerapporteerd in de incidentie van lagerugpijn, functionele ongeschiktheid en het aantal dagen arbeidsongeschiktheid tussen de groep die een rugschoolprogramma volgde en de controlegroep, kunnen we door de lage methodologische kwaliteit van deze studies niet definitief besluiten dat deze programma’s niet efficiënt zijn. Published ahead of print.
Een gekwantificeerde of kwantitatieve loop- of ganganalyse is een onderzoek waarmee loopstoornissen van neurologische, orthopedische en reumatologische oorsprong objectief kunnen worden aangetoond en gedocumenteerd. Het onderzoek wordt vaak gebruikt in de analyse van stoornissen in de motoriek als gevolg van infantiele encefalopathie (cerebral palsy) om de effecten te meten van injecties met botulinetoxine, tijdens multisite-operaties of voor het ontwikkelen van prothesen. Een loopanalyse wordt ook steeds vaker gevraagd in de orthopedie en de reumatologie om loopstoornissen te kwantificeren in moeilijke gevallen of bij onderzoek door medisch-gerechtelijke deskundigen. Een kwantitatieve loopanalyse impliceert de integratie van verschillende gegevens: kinematiek, kinetiek, elektromyografische activiteit en zelfs dynamische voetafdrukken. De interpretatie van ganganalyseverslagen is echter vaak moeilijk; zonder ondersteuning van een specifieke methodologie voor het domein blijft ze dode letter. In dit artikel wordt de methodologie besproken die in de klinische praktijk wordt gehanteerd.
In dit artikel benadrukken wij de waarde van MRI bij de evaluatie van letsels van het (cervicale) ruggenmerg na een trauma. Wanneer er een klinisch vermoeden van ruggenmergletsel bestaat en de standaardradiografische opnamen of de CT-scan geen afwijkingen tonen, moet een MRI-onderzoek worden uitgevoerd om de diagnose te bevestigen.
Een kwantitatieve gang- of loopanalyse (KLA, QGA, quantitative gait [motion] analysis) is een onderzoek waarin gegevens uit opto-elektronische systemen, krachtplatformen, video-opnames, elektromyografie en soms dynamische systemen voor plantaire barometrie of zuurstofconsumptie worden samengelegd...
Het ‘normale’ looppatroon is in de literatuur uitgebreid beschreven. Eerst is het globaal beschreven en werden de zes strategieën om verplaatsingen van het zwaartepunt te beperken uitgebreid besproken, met vermelding van de energiekost van dit looppatroon...
Binnen de kinderorthopedie kennen we aandoeningen die spontaan verdwijnen met de groei en waarvoor dus geen behandeling opgestart moet worden; daarnaast zijn er echter ook aandoeningen die bij het ouder worden meer uitgesproken worden en – om dit te vermijden – best op jonge leeftijd behandeld worden. Het onderscheid maken tussen ernstige en banale aandoeningen is dus cruciaal. Binnen de context van deze tekst is het niet mogelijk in te gaan op zeldzame aandoeningen, maar zal vooral het beleid van de meer frequente aangeboren en verworven aandoeningen toegelicht worden. 3. Teenafwijkingen
Een van de meest voorkomende problemen waarmee u zult worden geconfronteerd in uw praktijk is heupdysplasie. Een korte samenvatting van dit ziektebeeld wordt gegeven met de focus op vroege diagnostiek. Vervolgens zullen enkele deformiteiten van de onderste ledematen worden besproken. Het doel van dit artikel is niet om een volledig overzicht te geven van alle afwijkingen, maar om als leidraad te dienen waarmee u in veel gevallen de fysiologische deformiteit van de pathologische kunt onderscheiden.
Binnen de kinderorthopedie kennen we aandoeningen die spontaan verdwijnen met de groei en waarvoor dus geen behandeling opgestart moet worden; daarnaast zijn er echter ook aandoeningen die bij het ouder worden meer uitgesproken worden en – om dit te vermijden – best op jonge leeftijd behandeld worden. Het onderscheid maken tussen ernstige en banale aandoeningen is dus cruciaal. Binnen de context van deze tekst is het niet mogelijk in te gaan op zeldzame aandoeningen, maar zal vooral het beleid van de meer frequente aangeboren en verworven aandoeningen toegelicht worden. Eerste deel: Aangeboren voetafwijkingen
Valincidenten vormen een omvangrijk probleem in woonzorgcentra. Ongeveer 30 tot 70 procent van de ouderen valt één maal per jaar, waarvan 15 tot 40 procent meerdere keren valt (1).
Het ziekenhuis Mont-Godinne heeft een optische morfometer aangekocht. Met dit toestel kan onder meer scoliose worden gediagnosticeerd en behandeld. Het kan ook worden gebruikt bij onderzoek van allerhande vormen van rugpijn. Het toestel maakt driedimensionale beelden van het rugoppervlak. Zoals de naam aangeeft, berust de werking van het apparaat op optische processen; er worden dus geen röntgenstralen gebruikt.
Een gerichte aanpak van lagerugpijn in de eerste lijn, op basis van therapie die rekening houdt met de prognose, lijkt doeltreffend en kostenbesparend. Dat besluiten Britse onderzoekers uit een gecontroleerde gerandomiseerde studie die verscheen in The Lancet.
Idiopathische scoliose komt voor bij perfect gezonde kinderen los van een ander pathologisch proces. Het is een progressieve pijnloze misvorming van de wervelkolom in de drie dimensies. De diagnose is gemakkelijk. Tijdens de groeiperiode is er een risico op verergering. Elke scoliose moet dus tijdens de volledige groeiperiode minstens twee keer per jaar bijzonder aandachtig worden gecontroleerd, klinisch (scoliometrie) voor lichte scoliose en radiologisch voor ergere scoliose.
Medi-Sfeer Nr. 776
Schrijf u gratis in op onze wekelijkse nieuwsbrief en ontvang het laatste nieuws en nog veel meer ...